“Is het ergens leuk en aangenaam vertoeven, dan gaan of rijden mensen daarnaartoe. Liever dan naar een dorp of wijk dichter bij huis waar ze het gevoel hebben midden in de drukte te zitten.”

Dit stelde Willy Miermans in een interview dat hij recent had met Stad & Landschap. (bron: Stad & Landschap nummer 1, jaargang 8, pg 30-32).

 

Verkeer vs Voetganger

Professor Miermans heeft het tijdens zijn interview over de spanning tussen het verkeer en de individuele voetganger of het verkeer en de voetgangersstromen.
“Als de auto heer en meester is in je straat en wanneer je als zwakke weggebruiker geen volwaardige plaats kan afdwingen omdat er iets aan de organisatie van de ruimte schort, dan heb je reden tot klagen.”

Mobiliteitsbeleid vanaf de jaren

70

Sinds de jaren 70 is men beginnen redeneren in functie van de zwakke weggebruiker. Het denken ging zich vooral concentreren op de scheiding van de verschillende verkeersstromen.
Opdelen van de ruimte in secties getuigt van een rationele en functionele benadering, en is volgens Willy Miermans ingegeven door een bepaalde visie over veilig verkeer.
Echter komt heel deze manier van denken en ontwerpen in stroken en baanvakken van een technische benadering van binnen naar buiten, terwijl we in feite van buiten naar binnen moeten ontwerpen. Automatisch wordt de auto niet meer de bepalende factor maar de mens.

La visibilité de l’espace

In de jaren 90 ontstond een nieuwe visie op de indeling van de ruimte: ‘la visibilité de l’espace’. In welke mate begrijp ik als automobilist, als fietser of als voetganger hoe ik mij op een bepaalde strook van de weg moet gedragen. Deze nieuwe dynamiek bracht de kwaliteit van de ruimte voorop.

Mensen zullen zich blijven verplaatsen. Metro, lightrail, tram of bus zijn veel efficiënter voor relatief kleine verplaatsingen binnen voorstedelijke gebieden.
Willy Miermans verwacht dan ook dat er een nieuw soort evenwicht tussen individueel en collectief vervoer zal ontstaan. Daarbij acht hij het helemaal niet uitgesloten dat bepaalde toegangsassen tot de stad niet meer open zullen staan voor auto’s. Daarmee wordt een dubbelslag geslagen: voor de bewoners betekent het een verbetering van hun globaal wooncomfort, maar ook voor de bezoekers. Die zullen massaal gebruik maken van de vlotte transportmogelijkheden.

Wat mogen we morgen verwachten?

De stad zal blijven aantrekken. Er zal blijvend moeten geïnvesteerd worden in publieke ruimten. Mobiliteit is een pijler van dat beleid, maar geen doel op zich. Mobiliteit en ruimte kan je niet uit elkaar trekken. Mensen gaan nu eenmaal voor kwaliteit.